Rootstime – Antoine Légat

Je hoopt dat het jou en je dierbaren in je eigen streek of land nooit overkomt, maar wat doe je als het toch gebeurt en je je vaderland moet achterlaten? Je neemt mee wat je kan dragen en de rest, je persoonlijkheid, je herinneringen en je cultuur, die zitten in je hoofd. Je gaat op zoek naar een ander land, waar je je talenten tot ontplooiing kan brengen. In Irak was muziek verboden toen Osama Abdulrasol er nog woonde. Dus leerde hij in het geheim muziek spelen. Pas nadat hij zijn land had moeten achterlaten, ontdekte hij dat er een instrument bestond dat ook in Irak bespeeld werd en er ooit een hoge bloei kende: de ‘Arabische harp’ of qanun. Osama had zijn roeping gevonden. Bij gebrek aan leermeesters, leerde hij zichzelf maar spelen. En hij werd een meester op het instrument. Osama ontwikkelde zich trouwens ook tot een boeiend grafisch kunstenaar, zoals we tijdens een Gentse tentoonstelling een paar jaar geleden konden vaststellen.

Je bent wel behoorlijk uniek als je qanun speelt. Er zijn vele schrijfwijzen kanun, ganoun, kanoon enzovoort. In Arabisch en Perzisch qānūn. De Grieken maakten er kanonàki van. Die vele namen zijn snel verklaard: het instrument kende immers voorheen een grote verspreiding. Het werd en wordt bespeeld in Centraal Azië en het Midden-Oosten en in de elfde eeuw bereikte het Zuid Oostelijk Europa. Er moeten nog altijd grootmeesters bestaan, maar ze zijn alvast niet erg bekend. Ook Osama kon ons hierover niet veel informatie verschaffen. Net als wij kent Osama de Griek Kostas Vómvolos (Thessalonίki) als virtuoos op de kanonàki. Kostas is concertmeester bij Savina Yannàtou’s gereputeerde Spring in Salonica. De qanun is een snaarinstrument, een citer met trapezoïde vorm, liggend op de schoot bespeeld. Men bespeelt de 26 snaren in drievoud (dus in totaal 78, maar de qanun van Osama heeft er 81) met de vingernagels en met aan elke hand één plectrum van schildpad (al speelt Osama met metalen plectra) De klank is helder en hoog en doet denken aan de harp, de citer (zither), de Griekse santouri, de Hongaarse cimbalom of de Japanse koto. Het ook visueel prachtige instrument klinkt fraai, zowel solo als in de begeleiding.

Abdulrasol belandde in België, waar hij het multiculturele klimaat en de muzikale diversiteit vond die hem toestond zich te ontwikkelen niet alleen als muzikant maar ook als componist. Zijn grote vaardigheid en het unieke van de qanun maakten hem al snel bekend in kringen van musici die hem op zijn zoektocht konden vergezellen. Die vond hij niet alleen hier, maar tot ver buiten onze grenzen. Zo speelde hij onder anderen bij Goran Bregovic. Ook muzikaal waren er geen grenzen. Je vond hem even goed bij Dirk Brossé als bij de intussen wereldvermaarde choreograaf Sidi Larbi Cherkaoui. Wij zagen hem voor het eerst bij Olla Vogala en in 2008 met Tri a Tolia, trio met cellist Lode Vercampt en zangeres Melike Tarhan. Composities en arrangementen maakten ze samen. Enkele maanden geleden was dan Trio Lami te gast in Arscene. Melike heeft intussen andere projecten: ze heeft onder de groepsnaam Tarhan een fijne cd uit, ‘Juicy Little Bramble’ bij Home Records. In Trio Lami staat de klassiek geschoolde, maar erg veelzijdige sopraan Helena Schoeters Osama en Lode bij.

In Arscene bracht Trio Lami voor een groot deel de composities van Abdulrasol en een aantal daarvan zouden we terugvinden op zijn komende cd. Nu is er ‘Jedid’ en inderdaad, sommige stukken zijn ons bijgebleven. Daaronder ‘Gypsy In Bagdad’. U kan het verslag lezen hier in Rootstime. De Iraakse Belg is niet over één nacht ijs gegaan: voor het Osama Abdulrasol Quintet trok hij nog twee toptalenten aan: accordeonist Philippe Thuriot, die in veel verschillende genres actief is, waaronder ook jazz en klassiek, en Franse slagwerker François Taillefer, die grote ervaring heeft met allerlei vormen van percussie, incluis de oosterse. Je kan op basis van die namen niet anders spreken dan van een supergroep (als die term tenminste niet zo beladen was) Zeker weet je het op voorhand nooit, maar als zo’n sterke individualiteiten mekaar vinden dan bestaat de kans dat uit de symbiose vaak iets uitzonderlijk ontstaat, groter dan de som van de delen. Noem zoiets gerust het ‘Traveling Wilburys‘-effect. Osama had alvast groot vertrouwen in zijn project, toen we hem zagen met Trio Lami. Enkele maanden later moeten we het toegeven: ‘Jidid’ beantwoordt aan deze steile verwachtingen, en klimt er, wat ons betreft, nog een stuk bovenuit.

De composities van Abdulrasol overtuigen van bij de eerste beluistering. Dat de qanun en het accordeon voor hoogstandjes zorgen, is geen verrassing, maar de manier waarop Lode zijn cello te lijf gaat vindt enkel zijns gelijke in de soms waanzinnige ritmes van Taillefer. Maar het kan ook uiterst fijnbesnaard en gevoelig. Het eerste nummer, liefdeslied ‘Ghazel’ is hoofs en statig met Helena Schoeters meteen in een glansrol, maar meteen daarop ontbinden de vier muzikanten hun duivels in het al vermelde instrumentale ‘Gypsy In Bagdad’. We krijgen verderop nog vuurwerk, met name in het exuberante ‘El Burjain (2 Towers Dance)’ (luistert u hier eens goed naar die cello!), maar er zit veel afwisseling in het aanbod: nummer drie ’78 Sky’ is een heuse suite die meedeint met de erg wisselende emoties die het (uiteraard in Spaans geschreven) gedicht van Chileense Nobelprijswinnaar Pablo Neruda oproept. Helena Schoeters levert hier geen kleine prestatie want zij golft in een mix van klassiek en traditioneel mee met de muziek zodat haar stem ten slotte een vijfde instrument wordt in het geheel. Dat ze op ‘Jedid’ in verschillende talen zingt, is een opvallende gelijkenis met Savina Yannàtou. Vooral in dit stuk is er ook een parallel te trekken met Primavera en Salonico.

Het kan ook zeer ingetogen zoals in de intro van ‘Heloune (Prelude)’ met een gestreken cello en een dromerige accordeon. De cello neemt hier gaandeweg een hoge vlucht om rustig te landen in een filmisch landschap. ‘Camel Walk’ lijkt wel een vervolg hierop, met Helena die Arabische poëzie zingt, terwijl Thuriot de fijnste patroontjes weeft, erg contemplatief en fraai. De qanun speelt in deze twee stukken niet mee, maar ze komt weer aan de oppervlakte in het eens te meer naadloos aansluitende ‘Lucidity’. Men kan zowaar van een Arabische trilogie spreken, zo elegant gaan de drie in mekaar over. Het voorlaatste nummer ‘Habibu’ heeft ons hart gestolen vanaf de eerste beluistering: een zielsmooie melodie die gaandeweg meer volume krijgt, maar even beminnelijk blijft klinken. Halverwege neemt de qanun het commando over en krijgt het lied iets meer vaart, met daarboven de vocalises van Schoeters en de hoge noten van Thuriot. De qanun sluit deze heerlijke brok pure schoonheid af.

Slotakkoord ‘Mezaj’ zet Osama’s instrument nog eens in het zonnetje. Abdulrasol solo laat ons kennismaken met de mogelijkheden van de wonderlijke qanun, maar zonder ongepaste bravoure, want de focus blijft gedisciplineerd op de eens te maar fijne compositie. ‘Jedid’ eindigt in een fade out, een uitnodiging om de cd opnieuw te starten. Het is vroeg om dat nu al te beweren, maar we hebben het sterke gevoel dat het Osama Abdulrasol Quintet hier meer dan een visitekaartje heeft afgeleverd. Het woord ‘meesterwerk’ komt ons voor de geest. Maar dat zal de tijd wel uitwijzen. Op dit ogenblik is het vooral ongebreideld genieten van de knappe composities geserveerd door vijf briljante musici.

Antoine Légat

2016 September

Mot clé :
%d blogueurs aiment cette page :